Een wijde waaier van licht ontvouwde de oprijzende zon boven in matte mist gedompelde bomentoppen.
Beneden lag ’t koud-groen tapijt der beemden: heel ’t land was één teergetinte peerlemoer waar de grachten in glimmende linten van vuur-en-amber doorkronkelden …
‘k opende de schilderdoos en vatte de borstels …
Wonnige wereld van licht en morgenzaligheid!
Dansende droomgezicht van witheid en goudglans!
O blakend zonnefeest!
Ik schilderde …
Boden van de verrukte kunstenaarsziel, stegen her en der, beemdlewerikken, op trillende vlerken hoog in de trillende lucht!
‘k schilderde, zoekend, nerveus, een onpakbare toon op ’t palet …
uit: Schildermistmorgen